top of page
Zoeken

De spelende mens

  • Foto van schrijver: Rianne Denissen
    Rianne Denissen
  • 16 mei 2021
  • 11 minuten om te lezen

Nog niet zo lang geleden werd mij de vraag gesteld waarom ik zoveel littekens op mijn handen heb. Met een vreemde mengeling van schaamte en trots reageerde ik: ā€˜Die littekens heb ik al zolang ik me kan herinneren. Hutten bouwen gaat nu eenmaal niet zonder slag of stoot.’ Bij nader inzien, had ik beter kunnen zeggen dat het juist met heel veel slagen en heel veel stoten ging. Hoe kom je anders aan de littekens? Soit. Het zette me aan het denken.


Op een paar littekens na heb ik de meeste krassen op mijn handen verworven tijdens pogingen tot het bouwen van hutten, het spelen van ā€˜vlag veroveren’ in het bos achter onze boerderij of simpelweg door het vallen van mijn fiets. Littekens zijn als een levenslange souvenir aan de tijd dat je als kind je ledematen inzette om spijkers, boomschors en asfalt op te vangen. Het is een souvenir aan de tijd dat je speelde. Echt speelde.


Ik verzamelde later nog meer littekens, maar deze waren van een heel andere aard. Niet verkregen in het spel of buiten in het bos, maar voornamelijk tijdens het werk. Er loopt een lange lijn over mijn rechter ringvinger, uit de tijd dat ik tomaten kweekte in een kas. En bovenaan mijn rechter onderarm zit een lang uitgesmeerd vierkant waar ooit een gloeiend hete bakplaat, gevuld met brooddeeg van eenzelfde uitgesmeerde vorm, mijn huid probeerde te omhelzen. Ook deze liep ik op tijdens werk. De gedachte dat deze ā€˜nieuwe’ littekens, in tegenstelling tot de ā€˜oude’ littekens, geen wild verhaal in zich dragen legde opeens een weemoedig gevoel bloot. Nostalgisch, dat was het.


Ik vroeg mezelf af waarom ik tegenwoordig geen littekens meer verzamel die, in mijn optiek, symbool staan voor speelsheid en vrijheid. Waarom ik niet jaarlijks littekens verzamel zoals degenen die ik als kind opliep omdat ik mezelf kon verliezen in een spel, omdat ik het besef van tijd kon loslaten of misschien simpelweg omdat de tijd toen nog geen vat op me had. De nieuwe littekens zijn ontstaan door tijdsdruk, prestatiedruk of gewoon ā€˜druk’ zijn. Alleen die gedachte al vind ik vreselijk. Drie keer het woord ā€˜druk’ gebruiken in dezelfde zin ook. De nieuwe littekens staan me tegen. Ik moet ze niet. De oude littekens zijn mijn verhalen. Dat ben ik.


Een mogelijke verklaring voor de afname van deze ā€˜avonturenlittekens’ is de afwezigheid van het kinderlijke spelen. In ons volwassen bestaan, wat dat ook moge zijn, lijken we niet meer op dezelfde manier te spelen zoals we dat ooit als kinderen deden. We klauteren over het algemeen een stuk minder vaak in een boom, we beginnen niet spontaan achter iemand aan te rennen als we op onze schouder worden getikt en we krijgen ook geen snoepzakje meer mee naar huis aan het einde van een verjaardagsfeestje. Het is duidelijk dat deze activiteiten door de jaren heen zijn verandert of zelfs zijn verdwenen. Maar betekent dit dat we helemaal niet meer spelen? Is spelen uitsluitend iets dat we als kinderen doen? Of bestaat er een alternatieve vorm van spelen in ons volwassen bestaan? Als het spelen helemaal niet is verdwenen uit ons huidige leven, zijn mijn nostalgische gevoelens tegenover het spelen dan wel terecht? Om deze vragen te beantwoorden zit er niets anders op dan een duik te nemen in de filosofie van het spelen.


De filosofie van het spelen

Binnen de filosofie van het spelen bestaan verschillende perspectieven die de meest uiteenlopende definities en waardeoordelen toeschrijven aan het fenomeen spelen. In de zoektocht naar antwoorden op mijn vragen zal ik eerst kijken naar drie verschillende definities van het spelen: spelen als activiteit of gedrag, spelen als houding en spelen als een betekenisvolle ervaring. Vervolgens bespreek ik drie verschillende historische perspectieven op het spelen die het denken over het spelen door de tijd heen hebben beĆÆnvloedt en nog steeds beĆÆnvloeden: de top-down approach, de bottom-up approach en de development approach. Aan de hand van deze definities en perspectieven keren we terug naar de vraag of we als volwassenen nog in staat zijn om te spelen en de vraag of mijn nostalgische gevoelens gegrond zijn.


Spelen als activiteit of gedrag

Binnen de wetenschap wordt het spelen vaak gecategoriseerd als een ā€˜activiteit’ of een soort ā€˜gedrag’ waarbij een grote rol voor ons lichaam is weggelegd. Denk bijvoorbeeld aan spelende dieren in het wild: ze spelen met elkaar zonder duidelijke reden. Het spelen wordt in dit geval gekenmerkt door de doelloosheid ervan: er is geen doel waarnaar gestreefd wordt, geen uiteindelijke staat die bereikt dient te worden. Ze zijn simpelweg aan het spelen om het spelen zelf. Maar net als dieren, spelen ook mensen omwille van het spelen zelf: spelen is een doel op zich en het heeft om deze reden intrinsieke waarde. Maar als we het spelen begrijpen als een doelloze activiteit, dan blijft de vraag waarom we er als mensen voor kiezen om te spelen. Deze vraag leidt naar het tweede perspectief op het spelen: spelen als houding.


Spelen als houding

Volgens deze kijk op het spelen is onze houding tegenover een bepaalde activiteit van groot belang. Denk bijvoorbeeld aan het spel ā€˜verstoppertje’. We noemen deze activiteit een spel omdat het gepaard gaat met een bepaalde houding tegenover de activiteit zelf, het is een manier waarop we een activiteit uitvoeren: we spelen het spel omwille van het spel zelf of omwille van intrinsieke redenen. Zodra deze houding niet van toepassing is, noemen we het geen spel meer. Stel je een kind voor dat sinds kort gitaar speelt. Op het moment dat het kind gitaar speelt omwille van het spelen zelf, dan noemen we dit ā€˜spelen’. Maar zodra het kind 10 uur per week naar gitaarles moet omdat het beter moet worden, omdat het gitaarspelen als middel fungeert om een doel te behalen, dan noemen we het al snel geen ā€˜spelen’ meer, maar ā€˜werken’. Hetzelfde argument wordt overigens vaak gebruikt om te beargumenteren dat professionele atleten werken in plaats van spelen, omdat de houding tegenover de activiteit wordt gedomineerd door een hoger doel zoals roem of geld.


De houding die we hebben tegenover een activiteit lijkt dus van belang te zijn in het bepalen of we iets tot het domein van het spelen rekenen of niet. Maar de klus om ā€˜spelen’ te definiĆ«ren is daarmee nog niet geklaard. Wanneer ā€˜het spelen omwille van het spelen’ of de intrinsieke waarde van het spelen, een essentieel kenmerk van spelen is, betekent dit dan dat we elke activiteit tot een spel kunnen omdopen? Dat zou impliceren dat elke activiteit een spel zou kunnen worden zolang we er over kunnen zeggen dat het intrinsieke waarde heeft of wanneer we de activiteit uitvoeren omwille van de activiteit zelf. Toch ligt het complexer dan dat.


Stel je voor dat je vanaf vandaag €100,- zou krijgen voor elke keer dat je jouw favoriete sport uitoefent, jouw favoriete muziekinstrument bespeeld of jouw favoriete spel speelt. Hoogstwaarschijnlijk heb je er niets op tegen dat je geld verdient met iets waar je graag tijd aan besteed. En zodra de betaling stopt, blijf je gewoon doorgaan met de activiteit. Dit voorbeeld geeft aan dat onze motivaties om te kiezen voor een spel complex zijn. Een spel kan weliswaar intrinsieke waarde hebben, wat voldoende kan zijn om er voor te kiezen om het spel te spelen, maar de motivatie om het spel te spelen kan beĆÆnvloedt worden door externe factoren, zoals geld. De uitgemolken uitspraken: ā€˜van je hobby je werk maken’ en ā€˜als je doet waar je van houdt, hoef je geen dag in je leven te werken’ staan door deze inzichten ineens in een heel ander daglicht.


Spelen als betekenisvolle ervaring

Voorbij aan filosofieƫn die het spelen trachten te definiƫren aan de hand van de activiteit zelf of aan de hand van de houding van het subject dat speelt, is er nog een andere manier om naar het spelen te kijken: een perspectief dat spelen definieert als een betekenisvolle ervaring. Volgens dit perspectief kunnen we de ervaringen die gerelateerd zijn aan het spelen, opvatten als de essentiƫle kenmerken van het spelen.


Een aantal kenmerken die keer op keer terugkomen in de literatuur over het spelen en uitgewerkt worden door bekende filosofen die zich bezighouden met de filosofie van het spelen, zoals Johan Huizinga en Stuart Brown, zijn bijvoorbeeld: de doelloosheid van het spelen of het hebben van een doel in zichzelf, de vrijheid of vrijwilligheid van het spelen, de ervaring van gelukzaligheid, het opgaan in het spel (ofwel door het verliezen van het tijdsbesef ofwel het verliezen van onszelf als subject) en de ruimte voor improvisatie waardoor we nieuwe manieren van denken en handelen ontdekken. Volgens deze filosofen zit het spelen vol met bijzondere ervaringen waarbij ā€˜ervaringen’ worden begrepen als een bundeling van betekenisvolle activiteiten en houdingen.


Nu we een beeld hebben gekregen van een aantal verschillende definities van spelen, wend ik me tot John Wall, een theoretisch ethicus, die in The Philosophy of Play, een onderscheid maakt tussen drie verschillende historische perspectieven op het spelen: the top-down approach, the bottom-up approach en the developmental approach. Volgens Wall hebben deze verschillende filosofieƫn tot dusver het denken over het spelen in het Westen gedomineerd en oefenen ze nog steeds grote invloed uit op hoe we vandaag de dag over spelen nadenken.


Word volwassen!

Allereerst bespreekt Wall de top-down approach. Dit perspectief op het spelen begint bij het idee dat onze kindertijd wordt gekenmerkt door een staat waar geen regels gelden en chaos heerst. Deze ā€˜natuurlijke’ staat van de mens kan echter overwonnen worden door middel van de rede die van ā€˜bovenaf’ op het kind wordt gelegd, het kind zal uiteindelijk gedisciplineerd worden om tot een hogere staat van ā€˜zijn’ te geraken.


Een bekende en invloedrijke filosoof die binnen dit perspectief past, is Plato. Volgens Plato is de manier waarop we spelen als kind van invloed op hoe we ons zullen ontwikkelen tot volwassenen. Hij stelde daarom dat het kinderlijke spelen gereguleerd zou moeten worden, ter voorbereiding op de rol die men als volwassene zou gaan vervullen. Plato benadrukte dat met name het gebruik van het voorstellingsvermogen en de imitatie een gevaarlijk ā€˜spel’ kan zijn. Kinderen zouden door het gebruik van hun voorstellingsvermogen en het imiteren van andere personages, leren dat er alternatieve vormen van waarheid bestaan in plaats van een vaststaande waarheid zelf.


Volgens Wall kan de top-down approach negatieve gevolgen hebben: het ontmoedigt mensen om te experimenten en te luisteren naar hun voorstellingsvermogen, terwijl deze kwaliteiten juist tot nieuwe inzichten kunnen leiden. Daarnaast stelt Wall dat het perspectief een bepaalde tegenstrijdigheid in zich draagt: het veronderstelt dat de menselijke natuur wordt gekenmerkt door chaos maar dat we tegelijkertijd in staat zouden moeten zijn om een zekere ordelijkheid te kunnen bereiken.


Blijf spelen

Het tweede perspectief dat Wall onderscheidt, staat lijnrecht tegenover het eerste perspectief: de bottom-up approach. Dit perspectief wordt gekenmerkt door het idee dat spelen een uiting is van de menselijke authenticiteit; de menselijke goedheid en wijsheid. Spelen wordt gezien als iets natuurlijks, van heilige en simplistische aard. Daar waar Kant het spelen het liefste zo snel mogelijk de kiem in wilde smoren, wordt er in dit perspectief gestreefd naar een behoud van het spelen in het volwassen leven. Het spelen is iets om te koesteren, niet iets om af te leren.


Een voorbeeld van een filosoof die zich binnen dit perspectief thuis voelt, is Rousseau. Volgens Rousseau staat de speelsheid van kinderen aan het begin van onze moraliteit en de democratische vrijheid. Maar ook meer hedendaagse filosofen sluiten zich aan bij dit meer romantische perspectief op het spelen en schrijven een grote waarde toe aan het spelen. Volgens Johan Huizinga is het volledig opgaan in het spel waarbij je jezelf verliest van groot belang omdat we op deze wijze het alledaagse, soms tragische, bestaan kunnen ontstijgen. En Stuart Brown, een andere invloedrijke theoreticus op dit gebied, doet er nog een schepje bovenop, hij schrijft:

When someone does not keep an element of play in their life, their core being will not be light.

Volgens Brown is een belangrijk element van het spelen de mogelijkheid om ons op nieuwe manieren te verhouden met de dingen om ons heen. In het spelen kunnen we losbreken van vastgeroeste patronen en ontdekken we nieuwe kanten van onszelf, de wereld en hoe we ons in de wereld bewegen.


De bottom-up approach ziet spelen als een onderdeel van onze menselijke authenticiteit en zonder het spelelement in ons leven, leiden we een minder authentiek menselijk bestaan. Een mogelijk negatief gevolg van dit perspectief is de extreme idealisering en romantisering van het spelen en daarbij de kindertijd zelf. Dit perspectief slaagt er niet in om te erkennen dat een kind, net als een volwassene, met problemen kan worstelen. De kindertijd kan complex en bruut zijn, de bottom-up approach lijkt zijn ogen daarvoor te willen sluiten.


Een middenweg

Tot slot bespreekt Wall de developmental approach, een perspectief dat het spelen ziet als een manier om tot vooruitgang en verbetering te komen. Het spelen wordt gezien als een soort potentie, een mogelijkheid om ons als individu en als samenleving te ontwikkelen. Een filosoof die zich tot deze groep zou voegen, is Aristoteles. Volgens Aristoteles zijn kinderen ā€˜pre-rationeel’ en dragen ze de potentie in zich om tot rationele mensen op te groeien. Het spelen is in dat proces van groot belang omdat het kinderen leert om plezier te vinden in deugdzame gewoonten in plaats van immorele gewoonten. Een groot voordeel van dit perspectief volgens Wall, is de verbinding die het legt tussen onze jeugd en het volwassen leven. Het ziet spelen niet als iets dat overwonnen dient te worden, noch als iets dat krampachtig vast moet worden gehouden: het spelen ontwikkelt zich door de tijd heen. Een nadeel: het perspectief beschouwd het spelen wederom als een middel om tot een doel te komen, als een potentie om iets te bereiken. Terwijl we bij Huizinga en Brown juist hebben gezien dat het spelen ook opgevat kan worden als intrinsiek waardevol.


Spelen als essentieel element van het menselijke bestaan

Hoewel de besproken definities en historische perspectieven in eerste instantie erg verschillend lijken en ze er zelfs tegenstrijdige ideeƫn over het spelen op na houden, zien ze het spelen, stuk voor stuk, als een essentieel element van het menselijke bestaan. De definitie van het spelen die het spelen definieert als een houding tegenover een activiteit, de houding dat we spelen omwille van het spelen zelf, stemt me hoopvol. Dat ik niet meer elke zaterdag door een sloot aan het banjeren ben, op zoek naar kikkers, betekent niet dat ik niet meer kan spelen als volwassene. Het betekent slechts dat het spel meer is dan de activiteit zelf: het spel element bevindt zich in de houding tegenover de activiteit. En die houding laat ons inzien dat spelen betekenisvol is: de ervaringen die we hebben tijdens het spelen zijn uniek en wonderlijk. Wanneer ik iets doe omwille van de activiteit zelf en ik daarbij de typische spelkenmerken ervaar; dan speel je!


Vanaf dit punt zijn de mogelijkheden eindeloos. Niet alleen het ā€˜klassieke’ spelen van een kind wordt in deze optiek opgevat als ā€˜spelen’, ook andere activiteiten kunnen het spelende element bevatten. Denk aan al die momenten in het leven waarbij je jezelf, de tijd en het alledaagse kan ontstijgen, waar je een gelukzalig gevoel van krijgt en waar je de ruimte voelt om te improviseren en nieuwe manieren van denken en handelen kan ontdekken. We kunnen spelen met kunst, muziek, sport, natuur, meditatie, reizen, sex en nog zoveel meer. Vanuit dit perspectief kunnen we zelfs spelen binnen ons werk. (En wat maakt het dan nog uit dat je littekens oploopt tijdens het werk?)


Wanneer we het spelen opvatten als een houding, een betekenisvolle ervaring en een essentieel onderdeel van het menselijke bestaan, als een manier van ā€˜zijn’, dan zijn we het kinderlijke spelen nooit kwijtgeraakt in ons volwassen leven: het heeft simpelweg andere vormen aangenomen. De activiteit zelf heeft andere vormen aangenomen, maar de spelende houding die we kunnen hebben tegenover een activiteit is niet verdwenen. Misschien is het spelen wel een essentieel onderdeel van het mens-zijn omdat we de behoefte hebben om af en toe te ontsnappen aan onszelf, aan de existentie zelf. Niet alleen als volwassenen, maar ook als kind. Deze bewustwording zou wel eens het einde kunnen betekenen van de over romantisering van het kinderlijke spelen waar ik me schuldig aan maakte, en de daarbij horende nostalgische gevoelens die ik beschreef aan het begin van dit stuk. Het zou het begin kunnen zijn van een perspectiefwisseling, een die meer lijkt op de developmental approach, maar ook een die de intrinsieke waarde van het spelen erkent.


Ik wil je met dit artikel niet aansporen om vaker een boomhut te gaan bouwen. Dit zou het spelen wederom definiĆ«ren als een middel of doel en niet als iets waardevols in zichzelf. Onze avonturenlittekens zijn een mooie herinnering aan oude vormen van spelen maar ze staan niet voor de afwezigheid van het spelen in ons volwassen leven. Ik hoop dat je je zo nu en dan bewust bent van jouw houding tegenover dagelijks activiteiten, dat je daarin het spelen kan (her)ontdekken. Mill noemt het: ā€˜world-creativity’. Het vermogen om de betekenis van ons bestaan continu opnieuw vorm te geven door op spelenderwijs naar ons bestaan te kijken. Hij ziet hierin een speciale plaats voor de filosoof die, al spelend, met de betekenis van het leven omgaat en deze telkens opnieuw vormgeeft:


ā€œIf all the world is play, this does not mean that therefore life is pointless. On the contrary, it means that life is open to meaning’s creation. Philosophy is not only about play, Philosophy is play.ā€

Blijf spelen lieve filosofen.

Opmerkingen


Rianne Denissen

  • Instagram
  • LinkedIn
bottom of page